Verschil tussen mitose en meiose
| Mitose | Meiose |
|---|---|
| De mitose vindt plaats in alle lichaamscellen. | De meiose vindt plaats in de geslachtscellen. |
| De dochtercellen zijn na de mitose identiek aan de moedercel | De dochtercellen zijn niet identiek aan de moedercel |
| Een moedercel kan haploïd (= 1n) of diploïd (= 2n) zijn. In de biologie geven wij met 'n' aan hoeveel verschillende chromosomen er in de cel aanwezig zijn. Bij 2n zijn er dus twee van iedere chromosoom. |
Een moedercel kan alleen diploïd (= 2n) zijn. |
| Het aantal chromosomen per kern blijft gehandhaafd na de deling. Bij haploïd (= 1n) blijft het 1n. Bij diploïd (= 2n) blijft het 2n. |
De cellen na de meiose zijn haploïd(= 1n). |
| Tijdens de mitose kan er geen uitwisseling plaatsvinden van DNA tussen de chromosomen. | Tijdens de meiose vindt er uitwisseling van DNA plaats door middel van crossing-over. |
| Tijdens de mitose worden de centromeren in de anafase gesplitst. | Tijdens de meiose worden de centromeren pas in de anafase 2 gesplits. |
| De nieuwe cellen zijn voor groei, herstel (regeneratie) of ongeslachtelijke voortplanting. | De nieuwe cellen kunnen alleen gebruikt worden voor geslachtelijke voortplanting. |
Verschuif in de onderstaande oefeningen de blauwe vlakken in de diagrammen zo dat het aantal n per fase klopt en de hoeveelheid DNA per fase in de kern. Bekijk eventueel hiervoor ook de animatie over de mitose en de meiose.
